Weidevogelbeheer

 

Aan de oostkant van het werkgebied bevinden zich een aantal gebieden waar weidevogelpopulaties te vinden zijn. Dit zijn de gebieden Crangeweer, Hoeksmeer, Holwierde en Oling. Het Hoeksmeer maakt deel uit van Natuurnetwerk Nederland (voorheen EHS), hier zal dan ook het zwaartepunt van de maatregelen liggen. Natuurmonumenten beheert het terrein, en het beheer zal zoveel mogelijk op elkaar worden afgestemd om tot een optimaal leefgebied voor de vogels te komen. Bij weidevogelbeheer is het van belang met mozaïeken te werken, een clustering van verschillende maatregelen: broeden, foerageren en opgroeiende kuikens.

Maatregelen

Grasland met rustperiode: regulier grasland, met een latere maaidatum vanaf 1 april, met variërende einddata van 1 juni tot 1 augustus. Het biedt broedende weidevogels rust, en het vergroot de kans op het broedsucces en grootbrengen van de jongen

Kruidenrijk grasland: grasland, met een ijle vegetatie door een lagere mestgift. Hierdoor zal de vegetatie meer open worden, en meer kruiden bevatten. Dit is ideaal als broedbiotoop, maar ook als foerageergebied voor opgroeiende kuiken door de insecten die het aantrekt.

Plas-dras: dit pakket kan worden gerealiseerd op lager gelegen stukken in percelen, die al (zeer) nat van zichzelf zijn. Een plas-dras biotoop heeft een grote aantrekkingskracht op weidevogels. Van belang is de combinatie met andere vormen van beheer.

Legselbeheer: het zoeken en beschermen van gevonden nesten buiten de weidevogelbolwerken. Het gaat om regulier grasland, waar geen beheerpakket op van toepassing is. Met legselbeheer worden de gevonden nesten beschermd door het te ontzien van landbouwwerkzaamheden. Dit pakket wordt uitgevoerd in nauwe samenwerking met vrijwilligers

Ruige mest: met ruige mest groeit het gras rustiger dan reguliere (drijf)mest. Daarnaast biedt het veel foerageermogelijkheid door de aangetrokken insecten, en is het gunstig voor het bodemleven. Het pakket zal veelal worden ingezet in combinatie met een ander pakket, ter versterking van de effecten

Droge en natte dooradering

Vrijwel het gehele werkgebied van Collectief Midden Groningen is aangewezen als leefgebied droge dooradering door de provincie Groningen. Onder dit leefgebied vallen met name landschapselementen zoals hagen, houtwallen en singels. Dit zijn interessante biotopen voor de struweelzangers: patrijs, geelgors en braamsluiper. Het is echter een leefgebied waar ons collectief in de eerste instantie nog niet op in zal zetten door het beperkte budget wat beschikbaar is.

Voor de natte dooradering worden wel kansen gezien in het gebied. Met name het noordoosten van het werkgebied is door de provincie aangeduid als potentieel leefgebied. Elementen die onder dit type beheer vallen zijn bijvoorbeeld sloten, moerasjes en plas-dras gebieden. Kansen die we zien zijn bijvoorbeeld het succesvolle rietslotenproject van Wierde & Dijk, de maren in Noord Groningen en de kolken in de Westpolder en de Hornhuisterpolder. Voor de invulling van dit leefgebied zal de samenwerking met het waterschap worden opgezocht, om de kansen in volle potentie te benutten.

De komende maanden gaan we als collectief in gesprek met relevante partners, voor een kansrijke invulling van het leefgebied natte dooradering. In de loop van 2016 zullen er pakketten ontwikkeld zijn, welke mogelijk kunnen worden ingezet.